
Wanneer een schenker via een contract aan een derde een voordeel toekent dat opeisbaar wordt bij zijn overlijden, zijn successierechten verschuldigd, ook al lijkt het op het eerste gezicht een gewone schenking tussen broers.
Een vader wil zijn drie zonen gelijk behandelen, maar om administratieve redenen, de woonplaats van één van hen, kan hij niet alle drie tegelijk begiftigen via dezelfde schenkingsakte.
De oplossing die zijn notaris uitwerkt is de volgende: hij schenkt effecten en geldmiddelen aan twee van zijn zonen, maar legt hen meteen een verplichting op.
Binnen drie maanden na zijn overlijden moeten zij aan hun broer een bedrag overdragen gelijk aan één derde van de geschonken activa, precies het deel dat hij anders zelf zou hebben ontvangen.
De vader overlijdt en de fiscus beschouwt wat de derde zoon ontvangt niet als een gewone overdracht tussen broers, maar als een legaat, en heft successierechten.
De drie zonen vechten dit aan, maar zowel de rechtbank als het hof van beroep te Brussel stellen de fiscus in het gelijk. Ze gaan in cassatie.
De juridische kern: het beding ten behoeve van een derde
Artikel 8 van het Wetboek der successierechten bepaalt dat sommen of waarden die iemand kosteloos ontvangt bij het overlijden van een ander, op grond van een contract, worden beschouwd als een legaat en dus belast worden met successierechten.
Het maakt daarbij niet uit of die persoon ook erfgenaam is.
De sleutelvraag was: heeft de schenkingsakte aan de derde zoon een eigen recht toegekend, los van zijn hoedanigheid als erfgenaam? Als dat zo is, valt dat recht onder artikel 8 en zijn successierechten verschuldigd.
Het oordeel van Cassatie
Het Hof van Cassatie bevestigt de redenering van het hof van beroep.
De schenkingsakte deed voor de derde zoon inderdaad een eigen recht ontstaan: hij kon van zijn broers eisen dat zij hem dat derde deel overdroegen, niet omdat hij erfgenaam was, maar omdat de schenker dat zo had bedongen.
Het voordeel was dan ook kosteloos.
Hij hoefde er niets voor te geven, en werd opeisbaar op een datum na het overlijden van de vader.
Dat zijn allemaal kenmerken van een beding ten behoeve van een derde in de zin van artikel 8.
Het cassatieberoep werd verworpen.
Deze zaak illustreert hoe creatieve schenkingsconstructies fiscale gevolgen kunnen hebben die op het moment van de schenking misschien niet voorzien waren.
Het feit dat iemand erfgenaam is, sluit niet uit dat hij via diezelfde nalatenschap ook successierechten verschuldigd is op een voordeel dat hij op grond van een contract ontvangt.
Wie een schenking plant waarbij aan bepaalde kinderen of andere personen verplichtingen worden opgelegd ten voordele van derden, doet er goed aan de fiscale implicaties vooraf grondig te laten onderzoeken.
Een goede planning voorkomt achteraf onaangename verrassingen.
Neem contact op met Advocaat du Moulin & partners voor een gedegen advies .

Korte Lozanastraat 9
2018 Antwerpen
Tel: 03 233 40 79
Fax: 03 233 57 97
Mail: dumoulin@advocaat-dumoulin.be
Ma: 9:00 – 17:30
Di: 9:00 – 17:30
Wo: 9:00 – 17:30
Do: 9:00 – 17:30
Vr: 9:00 – 13:00
Za: gesloten
Zo: gesloten
Advocaat du Moulin & Partners - Korte Lozanastraat 9 - Antwerpen